16-08-09

"Niet bang zijn voor stotteren"

Meertalig_onderwijs_articleKinderen die helemaal tweetalig worden opgevoed, lopen een grotere kans om te stotteren, blijkt uit Brits onderzoek. Het is de vraag of dit onderzoek representatief is. Volgens stottertherapeute Marie-Christine Franken is het voor de spraakontwikkeling van een kind veel belangrijker om twee talen niet door elkaar te gebruiken. Stotteren, of een stoornis in het vloeiend spreken, zoals het officieel heet, komt bij alle groepen kinderen voor. Ook kinderen die in één taal worden opgevoed, stotteren soms. Stotteren uit zich vooral in herhalingen of in het overdreven verlengen van een klank, en soms in blokkades. Meestal groeit een kind eroverheen. Maar soms moet er een stottertherapeut aan te pas komen. Vaak begint het stotteren als kinderen nog heel jong zijn, vanaf een jaar of drie.Volgens Brits onderzoek onder 137 Londense kinderen, lopen kinderen die vanjongsaf aan, nog voor ze naar de basisschool gaan, volledig tweetalig worden opgevoed, een grotere kans te gaan stotteren. En zij zouden er moeilijker vanaf komen. Maar dr. Marie-Christine Franken, stottertherapeute bij het Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam, zet vraagtekens bij het onderzoek. Over de relatie tussen stotteren en tweetalige opvoeding bestaat nog veel onduidelijkheid. “Tegenwoordig is het heel gebruikelijk dat er meerdere talen in een gezin worden gesproken”, zegt Franken. “Wereldwijd groeien miljoenen kinderen twee- of zelfs meertalig op, en zij hebben geen problemen. Je kunt niet zeggen dat een Nederlands kind dat in het buitenland opgroeit, een groter risico loopt om te gaan stotteren. Daar is echt meer onderzoek voor nodig.” Ouders weten over het algemeen heel goed dat er iets mis gaat in de spraakontwikkeling. Ieder kind stottert wel eens: als het boos is of niet uit zijn woorden kan komen. Aanknopingspunten zijn dat er andere spraak- of taalproblemen zijn, of dat blijvend stotteren meer voorkomt in de familie. Jongens blijken er gevoeliger voor te zijn dan meisjes.“Vaak vertellen kinderen zelf dat ze niet goed kunnen praten of ze houden hun handje voor de mond”, zegt stottertherapeute dr. Franken. Zij krijgt vooral kinderen op het spreekuur die eerder zonder resultaat bij een logopedist onder behandeling waren. “Stottertherapeuten hebben een specifieke opleiding gehad die verder gaat dan die van een logopedist. Ze weten meer over het probleem en de behandeling. Ik kijk ook heel goed hoe een kind communiceert en hoe ouders met hun kinderen omgaan.”De vierjarige Spaanse Pablo ontwikkelde een stotterprobleem toen hij drie was, vertelt zijn moeder. “Het begon al met eerste woordjes als papa en mama”, zegt mevrouw Torres. “Ik merkte dat andere kinderen van zijn leeftijd al snel twee woorden spraken of zinnetjes. Pablo bleef bij één woord hangen. Hij vond het moeilijk om met zijn vriendjes te praten.”Bovendien ging Pablo anders praten. “Hij begon te fluisteren toen hij ontdekte dat hij dan minder stotterde”, vertelt zijn moeder. En hij verschool zich achter ‘Ik weet niet’, als het niet lukte om iets te vertellen.Haar zoontje groeit tweetalig op. Zijn moeder spreekt Spaans met hem en zijn vader Nederlands. Als de familie samen is, wisselt dat. Spaans spreken gaat het jongetje heel moeilijk af, in het Nederlands heeft hij last van een klankblokkade. Toch is zijn woordenschat heel goed ontwikkeld. Voor zijn ouders kwam het stotteren als een verrassing. Niemand in de familie heeft er last van. Na een jaar gaat het al veel beter. “De tips hadden we zelf niet kunnen bedenken”, zegt Torres. “Zoals heel langzaam praten. Dat kostte ons veel moeite”, zegt ze lachend. “Maar ook dat je hem een zin waar hij niet goed uitkomt, niet moet laten herhalen en niet moet corrigeren.” Pablo komt inmiddels veel beter uit zijn woorden en heeft meer zelfvertrouwen gekregen. “En hij fluistert niet meer”, zegt zijn moeder trots.Tweetaligheid is geen enkel probleem, vindt Franken. “De hoofdregel is: spreek met je kind vooral de taal die je zelf goed spreekt. Beslis als gezin welke taal je gebruikt als je bij elkaar bent. Het is niet goed om twee talen door elkaar te gebruiken. Zeker niet binnen eenzelfde zin. Als kinderen een vreemd woord gebruiken omdat ze het juiste nog niet kennen, herhaal dan de hele zin met het goede woord. Dan leren ze zonder nadrukkelijk te worden gecorrigeerd. Verreweg de meeste kinderen herstellen, een kleine groep houdt slechts een lichte stotter over: een kleine verlenging van een klank of heel even blijven hangen aan het begin van een woord. Maar de enorme blokkades die goed communiceren belemmeren, verdwijnen. "Kinderen spreken zonder spanning, angst of buikpijn. Met goede therapie is dat een realistisch doel”, zegt Franken. (Bron: www.rnw.nl)

De commentaren zijn gesloten.